Terug naar onderwerpen


Moeder wil haar spaargeld geven aan haar enige zoon

Mijn 80-jarige schoonmoeder heeft bij de bank een spaarrekening staan van circa ¬ 15.000. Ze ontvangt AOW en een pensioen waarmee zij goed kan leven. Ze wil dat mijn man, die haar enig kind is, dat geld op zijn naam neemt.Hij is al haar gemachtigde bij de bank. Zijn moeder heeft geen andere kinderen en haar laatste echtgenoot is overleden. Wij hebben zelf ook een spaarrekening. Hoe kan mijn man de overheveling van het geld zo voordelig mogelijk doen zonder moeilijkheden te krijgen met de Belastingdienst?

We weten dat oudere mensen die zijn opgegroeid voor en tijdens de oorlog min of meer zich verplicht voelen om goed voor hun kinderen te zorgen. Daarom hoor je ze vaak tegen hun kinderen - zeker die hen helpen of verzorgen - zeggen dat 'als ik er niet meer ben, het geld voor jullie is'. Dat is natuurlijke een prachtige opvatting als het om kinderen gaat die het beste met hun ouders voor hebben. In het geval van uw schoonmoeder is het echter nog niet per se noodzakelijk om haar relatief lage vermogen van circa 15.000 euro al over te hevelen naar haar kind (uw man). Laat haar voorlopig deze buffer houden voor onverwachte kosten (bijvoorbeeld verhuizing naar een zorgcentrum) en misschien ook wel voor haar uitvaart. Als zij is overleden dan is op basis van 2007 in beginsel toch al 10.000 euro vrijgesteld van successierechten. Mocht de erfenis van zijn moeder voor uw man daarboven nog eens 5000 euro bedragen (ervan uitgaande dat de uitvaartkosten op andere wijze worden gedekt), dan zou hij daarover 250 euro successierechten moeten betalen. Indien dat het probleem is, dan zou zijn moeder met een jaarlijkse schenking (vrijstelling in 2007 bedraagt voor een kind 4412 euro per kalenderjaar) al snel onder die vrijstellingsgrens voor successierechten kunnen komen. Overheveling naar kinderen met gebruikmaking van de maximale vrijstellingen bij schenkingen is fiscaal pas aantrekkelijk als mensen grotere vermogens hebben. Maar ook dan zullen de ouders zich de vraag moeten stellen 'willen we het wel?', 'moeten we dat voor alle kinderen evenveel doen?' en 'is het wel verstandig?'.