Rotterdam en de tweede wereldoorlog

We kunnen er niet omheen: de Tweede Wereldoorlog! Voor Nederland �n voor Rotterdam is dat een afschuwelijke tijd geweest. Er zullen geen mensen te vinden zijn die al die ellende opnieuw zouden willen beleven. Het bombardement op 10 mei, de joden die afgevoerd werden, de arbeidsinzet en de hongerwinter zijn maar een paar voorbeelden van afschuwelijke zaken die zich destijds hebben afgespeeld. Gebeurtenissen die in het geheugen van mensen gegrift staan. Het is daarom niet verwonderlijk dat we veel brieven krijgen waarin oorlogsherinneringen worden opgehaald. Soms zijn dat trieste herinneringen, soms zijn het leuke. In de oorlogstijd hebben mensen, ondanks alles, ook leuke dingen beleefd.

In deze rubriek vindt u dan ook de oorlogsverhalen van onze lezers die niet gepubliceerd zijn in onze krant. De verhalen zijn hier en daar ingekort dan wel aangepast.


 

Nieuwbouw Vreewijk

Heb van nazomer 1942 tot half september 1943 als timmerman gewerkt aan nieuwbouw Vreewijk 16, Dordtsestraatweg en omgeving. Voor dit werk van enkele honderden woningen, alsmede Vreewijk 17 aan de Beukendaal en aan de andere kant van de Dordtsestraatweg Tuindorp De Vaan, was door de Duitse autoriteiten vergunning voor bouwmaterialen gegeven, mogelijk als compensatie voor het bombardement van Rotterdam. Het rijtje huizen aan de Mare, ik meen twee blokjes, alsmede een blokje van vijf of zes pandjes aan de Enk, stonden wat apart van de overige bouwstraten. Inderdaad zijn een aantal van die vrije huizen in bezit genomen door Duitse officieren die met hun soldaten in de schoolgebouwen en bibliotheek aan de Mare gelegerd waren. Ik heb in de voordeuren van die woningen de brievenbussen aan moeten brengen, de sleutels van die voordeuren zaten zoals te doen gebruikelijk met een touwtje aan een plankje en dat moest ik halen in genoemde school. Ik had weinig zin de sleutels na montage van de briefplaten weer terug te brengen bij die moffen en heb ze van het plankje losgesneden en in elke woning de sleutel door hun eigen brievenbus gegooid, lichte vorm van sabotage.

 

Ook weet ik dat een aantal van die woningen aan mensen uit Hoek van Holland werd toegewezen, die moesten hun huis in den Hoek verlaten wegens schutsveld werd verteld. Daar heb ik iets verschrikkelijks meegemaakt. Ik was aan het werk op een bovenverdieping van een der huizen aan de Grift, keek uit het raam en zag een collega van me heel hard naar de nieuw gegraven vijver langs de Mare rennen en daar met een grote sprong induiken. Aan de andere kant van het water, langs de Mare dus, liep een klein jongetje, ik denk een jaar of drie oud, zo het water in en ging gelijk kopje onder. Nu bleek dat hij zijn broertje achterna liep, die wilde een bal halen die in het water was terechtgekomen en was zo meteen in het vrij diepe water verdwenen. De timmerman heeft het knulletje onder water te pakken gekregen en anderen die een en ander ook gezien hadden zijn hard de vijver omgelopen en hebben het broertje uit het water gehaald. Voor beide kinderen was het te laat, ze zijn allebei verdronken. Schandalig was dat de portier van het Zuiderziekenhuis, waar een bouwvakker zo snel hij lopen kon hulp ging halen, op een nogal onbeschofte en zeer onverschillige manier reageerde waardoor het zeker tien minuten geduurd heeft voor er enkele broeders met een brancard ter plekke kwamen, te laat dus. De moeder was wanhopig en moest ondersteund worden, ze waren pas de dag ervoor in de woning gekomen en de vrouw was de boel aan het inrichten, was nog geheel onbekend met de omgeving en wist niets van een vijver ....

 

Overigens, half september 1943 werd de gehele loonadministratie van de werken door de Duitsers in beslag genomen en alle mannen onder de vijftig kregen een paar dagen later een simpel velletje papier dat ze tewerkgesteld werden in Duitsland en wel in Stolpe. Daar ik al in 1941 naar Duitsland, Düsseldorf, moest en toen in een Brabants dorpje een aantal maanden ondergedoken ben waar ik wel kostgeld moest betalen tot m'n geld op was en daarna een tijdje rondgescharreld heb tot ik op Vreewijk 16 aan de gang kon, zag ik geen mogelijkheid om weer onder te duiken en ben zodoende op 29 september 1943 met ruim honderd bouwvakkers van de drie genoemde werken naar Duitsland vertrokken. Dat is een ander verhaal geworden.

 

J. Lening, Varnasingel 836, 3067 EZ ROTTERDAM

 

 

 

 

Het bombardement Mei 1940

Mijn twee broertjes en ik schrokken wakker door een fluitend geluid bij het raam in de ouderlijke woning aan de Atjehstraat op Katendrecht. Onze pa, die het raam geopend had, draaide zich naar ons om en zei: “Blijf nog maar even liggen, want het is oorlog.” Hij had dat op de radio gehoord en keek nu door het geopende raam in de richting van de Waalhaven en Maashaven. Toen mijn vader het raam had geopend was hij beschoten: een kogel ketste af tegen de dakgoot. Dat was het geluid waarvan we wakker geworden waren. Hij nog wel kunnen zien dat de Waalhaven vooral bij het vliegveld werd beschoten en gebombardeerd. In de lucht waren heftige gevechten tussen vliegtuigen aan de gang. Intussen hadden we ons snel aangekleed en waren naar buiten gegaan. We zagen een klein watervliegtuig zwalkend in de richting van de Atjehstraat gaan. We stonden met open monden te kijken. We zagen wel dat die geraakt was. Even later hoorden we de sirene van de ambulance en we renden in de richting van het geluid. De ambulance was gestopt aan de kade van de 2e Katendrechtsehaven. De mensen van de ambulance waren aan boord van een schip gegaan dat daar aan de kade lag. Omdat het laag water was konden we niet zo veel zien. Toen ik opzij keek zag ik precies op een stootbalk die langs de kade liep een grote bom liggen. Iedere keer als de boot door de golfslag tegen de kade aangedrukt werd, rolde de bom heen en weer. Ik dacht dat het misschien wel eens een tijdbom kon zijn en schreeuwde tegen mijn broertjes dat we moesten maken dat we wegkwamen. We zijn hard naar huis gerend waar ik mijn vader vertelde van mijn ontdekking. Ik ben nooit te weten gekomen wat er met die bom gebeurd is. De volgende dag zijn we nog bij het Katendrechtsehoofd wezen kijken waar het watervliegtuigje lag. Er zat een groot gat op de plaats waar de piloot gezeten had. Verder was het al helemaal leeggehaald.

K. Verzijden, Schuilingsoord 176, Rotterdam


 

Bombardement aan Molenwaterweg

Op de Molenwaterweg tegenover dat gaatje onder het spoor naar de Delftsestraat of was het de Schiestraat hadden wij een pakhuis. Op dat pand was een verdwaalde bom gevallen en alleen de benedenverdieping stond nog overeind. Daar stonden nog wat spullen van de winkel opgeslagen en buiten stond onze handkar waarmee we spullen vervoerden voor de winkel en om te bezorgen bij klanten. Ook stonden er nog twee fietsen maar die waren snel verdwenen. In de oorlogsdagen was er een schutting die de Haarlemmerstraat scheidde van de Haarlemmerpoort en de enige boom die de Haarlemmerstraat rijk was, was op zekere dag ineens verdwenen. Er moeten dus een paar Haarlemmerstraters geweest zijn die heel hard gewerkt hadden. Toen ik later over de Molenwaterweg liep, zag ik dat de schutting om het toenmalige RET-terrein ook verdwenen was. Op de Schiekade was de ingang van de RETwerkplaats en –paardenstal. Dat werd de remise genoemd maar was het eigenlijk niet. Het terrein van de RET liep door tot aan de Molenwaterweg en toen ik daar zo liep zag ik wel iets heel kostbaars liggen: brandhout! Voor de oorlog waren in de binnenstad de bovenleidingen van de tram aan de huizen bevestigd. Toen veel huizen door het bombardement ingestort waren konden die bovenleidingen ook niet meer bevestigd worden. Men heeft ze toen aan houten palen bevestigd. Of er nu te veel palen besteld waren of dat de houten werden vervangen door betonnen palen, weet ik niet, maar er lag, nu ik langs het terrein liep, een grote hoeveelheid houten palen. Dat lag daar zomaar voor het grijpen. Het was wel heel verleidelijk om zo’n paal mee te nemen. Na een nachtje slapen en familieberaad werd besloten een poging te wagen. Ik haalde de bak van de handwagen af zodat alleen de wielen en de as overbleven. We hadden dan een soort Malle Jan. De wielen werden omwikkeld meer zakken zodat ze geen herrie zouden maken. We kwamen wel een man te kort en we besloten een buurman die we konden vertrouwen in het complot te betrekken. Hij liet zich makkelijk ompraten want ook hij kon wel wat hout gebruiken. Laat op een avond hebben we de mallejan van stal gehaald en zijn we naar de plaats waar de palen lagen gereden. De paal moest ongeveer halverwege de lengte op de as komen te rusten. Dat hadden we wel bedacht, maar dat lukt toch niet helemaal. Nadat de paal geladen was liepen we de Molenwaterweg af. Het voortduwen viel wel mee, ware het niet dat de wielen telkens de verkeerde kant opdraaiden. Uiteindelijk zijn we bij het pakhuis aangekomen en hebben de paal snel naar binnen geschoven. Samen met de buurman hebben ik nog menig uurtje besteed om de paal tot brandhout te verwerken. We hebben veel plezier van het hout gehad. Achteraf drong het pas tot ons door dat het och wel een gewaagde onderneming was geweest. Zo laat op de avond was het allang spertijd en mochten we eigenlijk niet eens meer buiten zijn. Bovendien werd er op het spoor door de Duitsers gepatrouilleerd. We hebben gewoon enorm veel geluk gehad.

J. van Oosten, Almere. Fam.van.oosten@chello.nl


 

Blokweg 21 in de 2e wereldoorlog.

Van 1937 tot 1974 woonde ik met mijn ouders aan de Blokweg. Tegenover ons huis op het pleintje, stond een schuilkelder. Omdat mijn moeder dat een naar gezicht vond, plantte ze daar een bloementuintje. Ze werd met het tuinieren nog wel eens geholpen door de toen 84 jarige opa Kooiman. Opa Kooiman is 103 jaar geworden. Op de hoek tegenover ons, was een kruidenierswinkel van de familie Brugts. Deze familie woonde achter de zaak. Als mijn vader ’s avonds, na zijn werk als machinist bij de NS, thuiskwam, moest ik op het woonkamerraam van de familie Brugts tikken om een flesje bier of frambozenlimonade voor hem te kopen. Aan de andere kant van de straat was een waterstoker, ik geloof dat hij Van Rossum heette.

Oorlog.
Op de scheepswerf van Piet Smit hadden de Duitsers in de oorlog munitie opgeslagen. Engelse vliegtuigen kwamen over om de scheepswerf te bombarderen. Op een nacht, er waren nogal wat bommen verkeerd terecht gekomen, zat ik met mijn twee broers en mijn ouders in hun bed, rechtop bommen te tellen. Het waren er zeven die terecht kwamen op de rails van het rangeerterrein. De laatste bom was terecht gekomen in een tuin van een woning op de hoek van de Blokweg en de Beukelaarsstraat. Toen het bombardement voorbij was, gingen we voor het raam kijken. Behalve een dikke gele rookwolk was er verder niet veel te zien. Wel stonk het verschrikkelijk alsof er een lucifersfabriek ontploft was.

In de buurt woonden nog enkele ander machinisten. Zij kwam regelmatig via het dak naar ons toe om naar de Engelse zender op de radio te luisteren. Aan de overkant van ons huis woonde de familie Kok, zij hadden joodse onderduikers in huis. Toen op een dag enkele Duitse soldaten bij ons huiszoeking kwamen doen, heeft mevrouw Blok mijn verloofde, die ook illegaal werk deed, gewaarschuwd en hem bij haar in huis gehaald. Met een verrekijker hebben we staan kijken wat er in ons huis gebeurde. Mijn moeder had de radio en de kristalzender waarmee mijn broer naar Engeland seinde, in de dakgoot gezet. De buren hebben hem toen weer snel bij hun naar binnengehaald. Onder mevrouw Kok woonde een mevrouw die bevriend was met Duitse officieren. We denken dat we daar het verraad moesten zoeken.

Op de hoek van de Blokweg/Beijerlandselaan was een slagerij gevestigd. De slager verkocht van april tot augustus heerlijk lamsvlees. Om de hoek in de Slaghekstraat was een kruidenierswinkel van Stok. Dat was een grote flinke man. Daarnaast de sigarenzaak van Milot. De oude Milot was ook machinist geweest. Later heeft zijn zoon de zaak overgenomen en is er weer later een reisbureau begonnen.

De groentenwinkel van Poot was gevestigd op de hoek van de Slaghekstraat en de Beverstraat. Ik zie nog de houten bakken achter de toonbank met de aardappels die er met een grote houten schep uit werden gehaald. Er moest per kilo ongeveer 3 cent voor worden betaald.

Mw. W. Ruijter-Wienderink, Lange Hilleweg 214a, 3073 BX Rotterdam


 

Willem Ruyslaan in Kralingen

Willem Ruyslaan in Kralingen. Mijn gedachten gaan terug naar het jaar 1939. Van het bestaan van de Willem Ruyslaan leken weinigen gehoord te hebben. Dat kon ook niet, omdat deze nog niet bestond. Een stuk van het gebied waarop deze laan nu is gesitueerd, was een afgesloten binnenterrein met drie identieke gebouwen. Aan de westzijde werd het terrein begrensd door de Speelmanstraat. Deze straat liep van de Beneden Oostzeedijk naar de Weteringstraat/Lusthofstraat, welke straten in elkaars verlengde lagen. Aan de Oostzeedijkzijde van de Speelmanstraat voerde een brede stenen trap naar de Boven Oostzeedijk.

Het hierboven genoemde binnenterrein had een toegangspoort. Ik woonde met mijn familie boven de poort. We woonden daar vanaf 1938. Vanuit de achterkamer hadden wen een prima overzicht over de binnenterreinsituatie. In een van de drie gebouwen was ook een school gevestigd. Als ik voor het raam stond zwaaiden de kinderen vaak naar mij. Zelf mocht ik nog niet naar school omdat ik in februari 1936 was geboren. Mijn vader was chronisch ziek waardoor hij veel naar buiten moest. Ik zat vaak bij mijn vader achterop de fiets en zo fietsten we menigmaal de stad door.Op deze tochten kwamen we door heel Rotterdam waardoor ik veel van het vooroorlogse Rotterdam gezien heb.

Met enige regelmaat brachten we ook een bezoek aan mijn op die een vleeswarenfabriek aan de Groenelaan had. Ik herinner me die straat als een smalle, naargeestige straat. Van die straat is op 14 mei 1940 niets overgebleven. Deze straat moet ongeveer ten noorden van de huidige Waranden en ten oosten van de huidige Vondelweg hebben gelegen. Mijn vaders fiets werd gestald in de onder onze woning gevestigde onderneming Fa. Schoots.

Augustus 1939.

Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd en uit de drie gebouwen op het binnenterrein verdween het schooltje om huisvesting te bieden aan Nederlandse militairen. Naast de poort en onze huisdeur werd een kleurig schildwachthuisje geplaatst. “s Avonds kwamen de soldaten vaak bij ons boven koffie drinken. Mijn vader was ook gemobiliseerd en lag in het schoolgebouw aan het Bospolderplein.

10 mei 1940.

Ik sliep op de bovenste etage van onze bovenwoning toen ik wakker werd van enorm veel lawaai. Door het dakraam zag ik grote grauwe vliegtuigen met grote zwarte kruisen vlak over ons dak scheren. Nou was ik wel vliegtuigen gewend, maar deze aanblik was zeer beangstigend. Toen ik beneden was, zagen we veel vuur. Volgens mijn vader moest er een enorme brand zijn in de buurt van de Veemarkt of bij het Oostplein.

Van de overige oorlogsdagen kan ik me niet veel herinneren. Alleen dat er steeds vliegtuigen overkwamen en er vaak geschoten werd en bommen vielen. Op de laatste oorlogsdag werden we door soldaten gewaarschuwd dat we betere ergens anders naartoe konden gaan. Men was ervan overtuigd dat de lokatie vanuit de lucht was gefotografeerd en dat een bombardement op scholen, in navolging van het bombardement op de Marinierskazerne aan het Oostplein, niet ondenkbeeldig was. Wij vertrokken met ons gezin naar het huis van mijn grootouders aan de Boezemsingel. Toen we daar al aardig in de buurt waren, barstte het inferno los.

’s Middags is mijn vader nog teruggegaan naar de Speelmanstraat om kleding te halen. Hij moest over een niet ontplofte brandbom stappen om onze woning in te kunnen. Volgens zijn zeggen waren hier en daar in de straat verschillende panden getroffen.

De volgende ochtend is hij weer teruggegaan naar ons huis om zijn fiets en zoveel mogelijk andere spullen te halen. Later mocht hij de straat niet meer in: grote delen van de Speelmanstraat stonden in brand. Later ben ik met mijn vader nog een keer teruggeweest. Van ons huis stond alleen nog de buitendeurpost met daaraan het naamplaatje van mijn vader. Alleen de voorletter was er half afgebrand. Toch heeft het naambordje nog tot 1970 dienst gedaan bij andere woningen.

Bram den Braber, J.W. Frisostraat 19b, 3051 EH Rotterdam


 

Stookhout voor het noodkacheltje.

In de beruchte hongerwinter werden bomen omgezaagd en leegstaande huizen tot aan de nok gesloopt om aan hout te komen. Toen wij aan ons tuinhek wilden beginnen, was iemand ons al voor geweest en visten we mooi achter het net. Hoe moest het nu verder? Zonder hout hadden we geen verwarming en konden we ook geen warm eten bereiden. Mijn broer, die bij de R.E.T. had gewerkt, wist bij de centrale werkplaats aan het eind van de Boergoensevliet, een stapel bielzen te liggen die in aanmerking kwamen om van eigenaar te wisselen. Het was vanaf de Kiefhoek een flink eind lopen naar de werkplaats. Daar was alles rondom afgezet met een hoge afrastering. Mijn broer, die de weg wist, klom over het hek en kwam even later met een biels aangelopen. Dat ging gelukkig makkelijk door de laag sneeuw die er lag. Onder de omheining door konden we de biels op onze slee krijgen. Het was die morgen extreem koud en nog heel stil op straat, waardoor we zonder enig probleem thuiskwamen met een flinke voorraad hout. Een dag of wat later hebben mijn broer en mijn aanstaande schoonvader deze stunt herhaald. Het was wel een heel gedoe om de bielsen thuis met een handzaag in stukken te zagen. Met het zwart voor ogen hebben we het houtmonster klein gekregen. Later hoorden we dat soms Duitse soldaten met honden op het terrein van de centrale werkplaats surveilleerden. We hebben dus geluk gehad dat ze er niet waren toen we de bielsen ophaalden. Het is ons echter nooit duidelijk geworden wat er verder nog in de werkplaats opgeslagen was, waarvoor die bewaking nodig was. Misschien dat iemand dat nog weet?

T. Bijleveld, Varnasingel 694, 3067EZ Rotterdam, tel: 010-4193529


 

De waterboten

Gedurende de Duitse bezetting was de gehele vloot van waterboten gevorderd. De Maas 5 en 6 waren in Rotterdam voor de stad. De Maas 3 lag in Hoek van Holland en verder was er een in Den Helder en een in Frankrijk. Ik werkte op de Maas 6 onder kapitein Willem Jager en ging ’s avonds naar school. Opeens werd ik overgeplaatst naar Hoek van Holland om op de Maas 3 te gaan onder kapitein Willem Visser. Dat bracht, met het oog op school, toch wel wat problemen met zich mee.

In Hoek van Holland leek het wel of ik in een heel andere wereld terechtkwam. Wij voorzagen geen schepen van water maar het eiland Rozenburg. Onder de vlag van het Rode Kruis lagen aan de steiger het kerkschip De Hoop en een tweepijps sleper, waarschijnlijk van Leen Smit. In de berghaven lagen twee schepen van de reddingsmaatschappij en het vuurschip Maas.

Op een dag liep ik over de bovenwal, dicht bij het vuurtorentje. Voor mij liep de havencommandant in een blauw marinejasje en een groene rijbroek en niet te vergeten een wandelstok. Ik keek naar de uitlopers van de Waterweg. Daar doken een stel vliegtuigen op die al schietend overkwamen. Ik schrok en zette het op een rennen. Ik verloor mijn klompen en hoorde de havencommandant in het Duits roepen dat ik niet zo in mijn broek moest schijten. Ik dacht: “Je kan me wat”! Maar even later lag hij boven op me in de schuilkelder.

Na enige tijd kwam ik, op verzoek van het verzet in Assen terecht waar ik in de Groningerstraat werd opgepakt. Ik werd overgebracht naar de Dr. De Visserschool. Onder mijn medegevangenen waren dominees en leraren. Zij hadden dekens en eetgerei mee kunnen nemen.

De schoollokalen waren niet verwarmd en een dun laagje stro deed dienst als vloerbedekking. Heel vroeg in de morgen moesten we aantreden: de bewakers moesten koppen tellen. Op een morgen vertelde ik de bewaker dat ik mijn klompen was vergeten. Hij gaf toestemming om ze te halen en ik ging op weg. Ik ben alleen niet meer teruggegaan.

Later ben ik nog een keer opgepakt door een politieman op de fiets, recht door het spergebied waar ze V1’s en V2’s oplieten. Ik kwam naderhand terecht in de buurt van Holten. Met de mensen die mij toen opgevangen hebben, heb ik nu nog contact.

Op aanwijzing van mijn (toen) toekomstige vrouw kwam ik later terecht in een Canadees veldhospitaal. Ik moest daar een week blijven. Intussen had ik getekend voor de Mariniers. We gingen van Oostende in een landingsboot naar Londen. Van daaruit gingen we verder naar Schotland. Uiteindelijk kwam ik in North Carolina in Camp Lejeune terecht. Met ongeveer 5000 mariniers hebben we Oost Java heroverd op de Japanners. Daar kwam in mijn vrouw weer tegen: zij was sergeant-verpleegster.

We trouwden in Soerabaja en wonen nu al 49 jaar in Australië. In 2004 heb ik een recommandatie voor mijn werk achter de linies gekregen en een medaille van de Australische minister-president.

Mijn vrouw is nu 80 en ik ben 81 jaar.

J.A. Couvee
71 Kingsclaire Street
Campbelltown 2560
NSW Australië


 

Mijn eerste oorlogsdagen.

10 mei 1940

Op 10 mei 1940, ik ben dan 10 jaar, worden wij gewekt met het radiobericht dat Duitse troepen Nederland binnendringen. Mijn vader had in die tijd gelukkig werk bij melkfabriek Galak Nestl� en mijn oudste broer Pauw was, als dienstplichtig soldaat, in Hoek van Holland gelegerd. Ik ben daar wel eens geweest, samen met zijn meisje. Er waren daar grote koepels met geschut die op zee gericht waren. Later moest mijn broer naar de Grebbelinie. Wat dat was, wist ik toen natuurlijk niet. Op die tiende mei ben ik nog gewoon bij de Van Schijndel houtfabriek gaan voetballen, we hoefden die dag niet naar school.


11 mei 1940

Duitse parachutisten waren geland bij de Waalhaven. Via zuid kwamen die soldaten naar de Maasbrug. Natuurlijk mochten we niet gaan kijken maar nieuwsgierig als ik was, ging ik met een paar jongens kijken. Met vierkante zwarte rubberbootjes voeren de soldaten naar de overkant waar de Nederlandse Mariniers lagen. Ook zagen we enkele watervliegtuigjes. Via de Nijverheidsstraat, over het kettingbruggetje en langs de boterfabriek van Jurgens kwamen we bij het overzetpontje. Ook daar lagen soldaten ingegraven in een loopgraaf. Daar kregen we onze eerste oorlogsschrik te pakken: de Duitse soldaten schoten met een machinegeweer naar de overkant. Later vlogen ook Stuka’s boven Rotterdam.


12 mei 1940

Deze dag staat in mijn geheugen gegrift! Het was prachtig weer en we hoefden nog steeds niet naar school. Vanuit huis keken we de straat in en zagen dat in onze straat en zelfs voor onze voordeur, de Duitsers schuttersputten hadden gegraven. Aan de overzijde hing aan de houtfabriek van Van Schijndel een grote vlag met een hakenkruis. Vanaf nu mochten we niet meer naar buiten. We kregen van mijn moeder een kopje thee met een koekje. Mijn ouders en mijn grote broers namen koffie. We keken door de spleten van de jaloezie�n naar buiten toen de Duitsers op ons huis begonnen te schieten en probeerden onze buitendeur open te trappen. We schrokken vreselijk en stonden doodsangsten uit. Mijn moeder en de andere kinderen konden via het achterraam vluchten. Ik zag op een gegeven moment mijn vader door het raam naar buiten klimmen en ik klom hem snel achterna. Mijn vader en ik waren op de bijkeuken van de familie Gooier, die onder ons woonden, terechtgekomen en probeerden nu op hun kippenhok te springen. Mijn vader zakte door het dak van het kippenhok en kwam klem te zitten. Huilend van angst probeerden mijn broers en ik vader te bevrijden. Dat lukte gelukkig. Inmiddels was de voordeur onder het geweld bezweken en waren Duitse soldaten op weg naar boven. We horen ze stampen en schreeuwen “offen machen”! Via de overburen renden via de Feyenoorddijk naar de het Leger des Heils op de Oranjeboomstraat. Daar konden we blijven en overnachten.


13 mei 1940

Bij het Leger des Heils had ik het wel naar mijn zin: we konden veilig spelen in de zaal. Ik haalde ook wel kattenkwaad uit: midden in de nacht een knikker op de grond laten vallen, een rookbommetje maken en in de zaal laten ‘ontploffen’ zodat men geen hand meer voor ogen zag. Er kwamen steeds meer mensen naar het Leger des Heils: Rotterdam werd gebombardeerd en over de spoorbrug kwam een grote groep mensen met grote pakken bij zich.


14 mei 1940

Die dag heb ik de mensen van het Leger geholpen: dekens en eten uitdelen, brood snijden en beleg uitdelen. Er bleven ook die dag steeds meer mensen komen die onderdak zochten.


15 mei 1940

Zo plots als het gekomen, zo plots was het voorbij. Nederland was gecapituleerd. We gingen terug naar ons huis aan de Zinkerweg 38. Voor de deur was een grote kuil waar onze dekens in lagen. Binnen gekomen hoorde ik mijn moeder huilen en tegen mijn vader zeggen: “Oh Bertus, kijk eens wat ze allemaal gedaan hebben!” Alles en dan bedoel ik ook echt alles, was kort en klein geslagen, foto’s verscheurd, stoelen, tafels en schilderijen waren vernield. Er was maar een ding dat nog helemaal heel was: een Mariabeeld dat mijn vader voor de oorlog uit Duitsland had meegenomen. Het allernijdigst was ik eigenlijk omdat die Duitsers de banden van mijn autoped kapot hadden gestoken. Ik heb gezworen dat ik dat ze betaald zou zetten.



G.A. Bul
Ooltgensplaathof 116
3086 NH Rotterdam


 

De glazen presenteerschaal.

Mevrouw Van Kwawegen – de Jong is in het bezit van een bruine, glazen presenteerschaal die ze in het voorjaar/begin zomer van 1942 heeft gekregen van Frouktje Bobbe – Van Hasselt. Frouktje (27) was getrouwd met Meijer Bobbe (29) en ze woonden in de Josephlaan. Het echtpaar had twee jonge zoontjes: Joel van 6 en Asscher van 2 jaar. In 1942 krijgt het gezin de oproepkaarten thuisgestuurd. Die van Meier was niet goed: hij was gericht aan Bob Meier. Hij had toen de mogelijkheid om geen gehoor aan de oproep te geven omdat hij niet Bob Meijer, maar Meijer Bobbe heette. Toch besloot hij om samen met zijn gezin op de geplande datum naar Duitsland te vertrekken. Frouktje en haar zoons zijn op 5 augustus 1942 in Auschwitz overleden en Meier op 30 september van dat jaar.

Ik herinner me ook dat de overgordijnen naar een andere, joodse, buurvrouw zijn gegaan die daar winterjasjes voor haar dochters van heeft genaaid. Ook dit gezin is naar Duitsland gebracht.

Nog steeds staat de schaal, puntgaaf, in mijn dressoir. Naar de maatstaven van deze tijd is het misschien een lelijke schaal te noemen. Toch kan ik hem niet weggooien en telkens als ik hem zie, moet ik aan Frouktje, Meier en hun kinderen denken. Ik zal nooit vergeten dat de zoontjes riepen: “We gaan naar Duitsland, we gaan naar Duitsland hoor!” Ach, die kinderen.

Jaren lang bleef ik me, als ik de schaal zag, afvragen hoe het na het vertrek met het gezin gebeurd is. Je wist in die tijd toch ook niet waar ze precies naartoe gingen. Ik schrok, ondanks dat het zo lang geleden is, toen mijn dochter kortgeleden vertelde dat zij op het Internet stamboomgegevens had gezien waarin stond dat het gezin al vrij snel na hun deportatie omgekomen is.

De schaal bewaar ik, ik kan het eenvoudig niet over mijn hart verkrijgen hem weg te gooien.

Mw. H.A. van Kwawegen – de Jong
Capelle aan den IJssel